|
Algemeen
Een burgerlijke procedure omvat slechts één fase, het proces. Een strafrechtprocedure daarentegen telt in principe twee fasen: het strafonderzoek (dit is er niet wanneer het slachtoffer de verdachte rechtstreeks voor de rechtbank dagvaardt - zie verder) en het proces. Tijdens het voorbereidende strafonderzoek worden bewijzen verzameld en het strafdossier aangelegd.
De wet voorziet in twee mogelijke wegen om een strafdossier aan te leggen: het opsporingsonderzoek onder leiding van de procureur des konings en het gerechtelijk onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de onderzoeksrechter. Soms mondt een opsporingsonderzoek, geopend in een op het eerste gezicht relatief eenvoudig dossier, later uit in een gerechtelijk onderzoek, bijvoorbeeld omdat nieuwe feiten een meer doorgedreven onderzoek vergen.
Voor overtredingen kan er enkel een opsporingsonderzoek worden ingesteld, behalve wanneer zij samen met een misdaad of een wanbedrijf worden vervolgd. Voor misdaden die worden berecht door het hof van assisen, moet er altijd een gerechtelijk onderzoek worden geopend. Voor wanbedrijven en gecorrectionaliseerde misdaden (waarvoor verzachtende omstandigheden worden aanvaard) kunnen beide wegen worden bewandeld. De beslissing om al dan niet een gerechtelijk onderzoek te openen, wordt hier overgelaten aan het oordeel van het openbaar ministerie. Idealiter wordt enkel een onderzoeksrechter gevorderd in belangrijkere zaken, wanneer individuele rechten en vrijheden in het geding zijn. Het Wetboek van Strafvordering bevat echter geen enkel criterium ter zake, zodat het openbaar ministerie geval per geval oordeelt of het al dan niet een onderzoeksrechter inschakelt.
|