Gerechtelijke journalistiek: geëngageerd en kritisch?
1. De feiten zijn 'heilig', de commentaren vrijAls journalisten zich aan de feiten houden - wat betekent dat ze die toetsen, controleren en zonodig corrigeren - dan hebben ze absoluut het recht om hun eigen verhaal te doen, zo geëngageerd en kritisch als ze maar willen.
Belangrijk is dat journalistieke verhalen niet noodzakelijk samenvallen met de gerechtelijke waarheid. Daarom is het perfect mogelijk dat een nieuwsbericht over een terechtzitting meldt dat een rechtbank in een of andere zaak een 'mild' dan wel een ‘streng’ vonnis heeft geveld. Dat verschil in opvatting kan te maken hebben met de gevolgde logica en de gebruikte technieken, maar ook met verschillen in persoon en karakter. Met een gefundeerd journalistiek verhaal kan een journalist ingaan tegen het gezag van een rechterlijke uitspraak. Volgens de journalistieke plichtenleer moet de journalist dat in voorkomend geval zelfs doen. Een journalist is geen rechter, maar in tegendeel de
waakhond van het gerecht. Dat is trouwens ook de lijn die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens getrokken heeft.
Terwijl informatie die als waar wordt voorgesteld elementair gecontroleerd dient te zijn, staat het iedereen vrij een persoonlijke opinie uit te drukken. Het
recht op kritiek is in principe onbegrensd. Wel
'moet het onderscheid tussen de weergave van de feiten en de commentaren duidelijk merkbaar zijn. Dit principe mag evenwel geen beperking vormen voor de krant om haar eigen visie en het standpunt van anderen weer te geven' (Code van Journalistieke Beginselen, beginsel 3).
Niet alleen voor commentaarstukken, maar ook voor columns, karikaturen en satirische bijdragen heeft de journalist (en in ruimere zin de auteur) een grotere vrijheid dan voor feitelijke berichtgeving. Lezersbrieven vallen eveneens onder het recht op kritiek, al blijft de redactie er wel de eindverantwoordelijkheid voor dragen. Telkens is de voorwaarde dat zulke bijdragen voldoende te onderscheiden zijn van gewone redactionele teksten.
Lasterlijke of beledigende kritiek is naar verhouding meer toelaatbaar naarmate ze gericht is tegen politici of andere
publieke personen en/of te maken heeft met een politieke discussie of een andere maatschappelijke controverse. Dat hebben de Belgische rechtscolleges en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij herhaling beslist.
Volgens het EHRM
'geldt de vrijheid van meningsuiting voor 'informatie' of 'ideeën' die gunstig of onschadelijk of neutraal worden geacht, maar ook voor die welke de Staat of om het even welk deel van de bevolking kwetsen, aanstoot geven of verontrusten.' (arrest Handyside vs. Verenigd Koninkrijk van 7 december 1976). Wel is het zo dat verdachtmakingen aan het adres van publieke gezagsdragers op een minimum aan objectieve aanwijzingen gestoeld moeten zijn.
Dit verleent journalisten nog
geen vrijbrief om willekeurige kritiek te formuleren op het werk van het gerecht en nog minder op de persoon van magistraten. De bal spelen mag, maar - in principe althans - de man niet. Omdat magistraten een discretieplicht hebben en zich dus niet vrijuit kunnen verdedigen, mag de pers hen niet in dezelfde mate aanvallen als bijvoorbeeld politici (
zie infra, Hoofdstuk 5, Afd. 2).
2. 'Objectiviteitsplicht' en 'onpartijdigheidsplicht'De plicht om
'de waarheid te eerbiedigen',
'niet aan propaganda te doen' en
'de feiten onpartijdig weer te geven' mag
'geen beperking vormen voor de krant om haar eigen visie weer te geven' (Code van Journalistieke Beginselen, punt 3).
De vrijheid om informatie te verspreiden, en tegelijk de plicht om dit op een correcte manier te doen, gelden zowel voor de geschreven pers als voor de audiovisuele media.
Maar voor de
audiovisuele media komt daar nog iets bij: een neutraliteitsplicht. Zij mogen geen politieke, sociale, culturele of andere stromingen discrimineren. Vlaamse en Franstalige decreetgeving legt deze plicht van respect voor het pluralisme in de samenleving op aan de openbare, maar ook aan private televisie- en radio-omroepen, zowel nationale als regionale of lokale. De reden is dat de omroepen een grotere impact zouden hebben op het publiek. Voor de Vlaamse Gemeenschap is het principe bezegeld in het mediadecreet van 25 januari 1995. Voor met name de openbare omroepen is de neutraliteitsplicht in bijzondere regelingen nog verfijnd.
In het bijzonder in verkiezingstijd moeten de betrokken redacties alle politieke partijen en stromingen evenwichtig behandelen. Dat betekent helemaal niet dat elke partij in elke uitzending exact even lang het woord moet krijgen, wel dat over een gehele periode gezien, elke strekking volgens zijn electoraal gewicht aan bod moet komen. De neutraliteitsplicht van de omroepen is vooral relevant voor politiek nieuws en slechts in bijkomende orde voor nieuws in de gerechtelijke sfeer.
3. 'Vertaling' van het technisch-juridische discoursHet is een van de meest gehoorde jammerklachten van magistraten over de pers: wat journalisten 'maken' van hun uitspraken, wijkt toch telkens weer zo ver af van wat er in werkelijkheid is gezegd...
Wat journalisten doen, is uiteindelijk niets anders dan het technisch-juridische discours van het gerecht omzetten in toegankelijke taal. Het alternatief zou zijn dat elke krant een soort van
Belgisch Staatsblad wordt, en dat vrijwel niemand nog iets van de gerechtelijke handel en wandel begrijpt.
Op twee manieren kan de communicatiekloof een beetje worden gedempt. Aan de ene kant zou het gerecht meer inspanningen moeten leveren om zijn werk begrijpelijk te maken voor het grote publiek. Aan de andere kant zouden pers en publiek moeten proberen om het gerechtelijke taalgebruik beter te begrijpen. Zo kopte een krant
Seriepedofiel vrijuit, terwijl de man in kwestie eigenlijk werd geïnterneerd. De Raad voor Deontologie van de AVBB heeft de krant er toen op gewezen dat ze de procedure van de internering beter had moeten uitleggen aan haar lezers.