logo
home updates pdf links contact nl
Deel 1: Het gerecht
Inleiding
Intro
Afd. 1: Rechtsbronnen
Afd. 2: Rechtstakken
Afd. 3: De rechtsstaat
Intro
Intro
1. De particulieren ...
2. De advocaat
3. Politie
4. Het openbaar ...
5. De zittende ...
Intro
Intro
§ 1: De vrederechter
§ 2: De rechtbank ...
§ 3: Rechtbank ...
§ 4: Arbeidsrechtbank
§ 5: Arrondissementsrechtbank
§ 1: Hof van beroep, ...
§ 2: Arbeidshof
Intro
2.1. Politierechtbank
2.2. Correctionele ...
2.3. Hof van assisen
2.4. Hof van beroep, ...
2.5. Een stukje ...
3. Jeugdrechtbank, ...
4. Hof van Cassatie
Overzicht
Intro
1. De burgerrechtelijke ...
§ 1: Algemeen
§ 2: Het begin ...
§ 3: Het opsporingsonderzoek
§ 4: Het einde ...
§ 5: Het gerechtelijk ...
§ 6: De onderzoeksgerechten: ...
§ 7: Overzichtsschema ...
§ 1: Het begin ...
§ 2: Het verloop ...
§ 3: Het einde ...
§ 4: Beroepsmiddelen
§ 5: Gevolgen van ...
§ 6: Voorwaardelijke ...
§ 7: Strafblad
3.1. Kort geding
3.2. De rechtsmiddelen ...
3.3. Einde van ...
3.4. Verjaring
Nieuw document
Intro
Afd. 1: Raad van ...
Afd. 2: Arbitragehof
Afd. 3: Andere ...
Intro
Afd. 1: Europees ...
Afd. 2: Europees ...
Afd. 3: Internationaal ...
Afd. 4: Internationaal ...
Intro
Afd. 1: Wraking
Afd. 2: Tucht
Afd. 3: De Hoge ...
Afd. 4: De Comités ...
Afd. 5: Parlementaire ...
Deel 2: De pers
Intro
Hfdst. 1: Journalisten
Intro
Afd. 1: Organisatie ...
Afd. 2: Recht en deontologie
Intro
1. De juridische ...
2. De deontologische ...
3. De instanties ...
Hfdst. 2: Gerechtelijke ...
Intro
Afd. 1: Algemeen
Afd. 2: Belang ...
Afd. 3: Informatie ...
Afd. 4: De Raad ...
Deel 3: Bronnen van de ...
Intro
Intro
1. Algemeen
2. Tijdstip en ...
3. Bestemmelingen ...
4. Methoden van ...
5. Specifieke bepalingen ...
6. Bijlage: de ...
Afd. 2: Informatieverstrekking ...
Afd. 3: Informatieverstrekking ...
Afd. 4: Informatieverstrekking ...
Afd. 5: Informatieverstrekking ...
Intro
Afd. 1: Beperkingen ...
Inleiding
1. Standpunt van ...
2. Standpunt van ...
3. Standpunt van ...
4. Naar een toenadering ...
5. Informatie en ...
Intro
Afd. 1: Betalen ...
Afd. 2: Betaald ...
Afd. 3: 'Overvaljournalistiek'
Afd. 4: Van observeren ...
Afd. 5: Documenten ...
Afd. 6: Undercovertechnieken
Afd. 7: Bijhouden ...
Deel 4: Gerechtelijke verslaggeving
Intro
Hfdst. 1: Recht ...
Intro
Afd. 1: Bronvermelding
Afd. 2: Hoor en ...
Afd. 3: Gerechtelijke ...
Afd. 4: Rechtzetting ...
Intro
Afd. 1: Algemeen
Afd. 2: Portretrecht ...
Afd. 3: Het recht ...
Afd. 4: Bijzondere ...
Intro
Afd. 1: Het vermoeden ...
Afd. 2: Laster, ...
Afd. 3: Recht op ...
Intro
Afd. 1: Het belang ...
Afd. 2: Respect ...
Afd. 3: Niet roemen ...
Afd. 4: Bescherming ...
Deel 2: De pers > Hfdst. 1: Journalisten > Afd. 2: Recht en deontologie > 1. De juridische normen pdf
De juridische normen


1.1. In de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

De Belgische Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens sommen een aantal fundamentele rechten en vrijheden op die duidelijk van belang zijn voor de journalist.

Artikel 19 van de Grondwet bepaalt dat 'De vrijheid (...) om op elk gebied zijn mening te uiten, (is) gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd'.

Artikel 25 van de Grondwet zegt: 'De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers. Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.'

Met dat laatste stelt artikel 25 van de Grondwet een principe van getrapte aansprakelijkheid in voor mediawerkers. Dit geldt zowel voor strafrechtelijke vervolgingen als voor burgerrechtelijke vorderingen die voortkomen uit drukpersmisdrijven. Volgens dit principe is altijd één enkele persoon verantwoordelijk voor een persmisdrijf: ten eerste de auteur, op voorwaarde dat hij bekend is en in België gevestigd is; in tweede instantie de uitgever; in derde instantie de drukker; en tot slot de verspreider. De getrapte aansprakelijkheid bestaat erin, dat een verantwoordelijke vervangen wordt door een andere indien hij ontbreekt in de keten. In de praktijk gebeurt het wel dat een uitgever, bij de veroordeling van een journalist, de betaling van de schadevergoeding voor zijn rekening neemt. Aangezien de fiscus dit als verloning beschouwt, moet de uitgever/werkgever hierop dan wel ook sociale bijdragen betalen (wat erop neerkomt dat hij eigenlijk het dubbele bedrag neertelt). Hoe dan ook beslist de uitgever discretionair of hij die tegemoetkoming doet of niet.

Toch kunnen volgens de rechtspraak de uitgever, de drukker of de verspreider worden vervolgd als mede-auteur in drie gevallen: als een van hen een anonieme auteur dekking geeft, als een van hen niet gehandeld heeft binnen het strikte kader van zijn functies (bijvoorbeeld door fouten of verkeerde titels in een artikel te plaatsen), of wanneer de uitgever de journalist heeft gedwongen om een fout te maken of een strafbaar feit te begaan. Dat laatste kan gebeuren wanneer de uitgever zijn journalist oplegt gevoelige onderwerpen aan te pakken of een sensationele stijl te hanteren.

Voor inbreuken die niet met een vrije meningsuiting te maken hebben, gelden de normale regels van aansprakelijkheid. Voor strafrechtelijke inbreuken gaat het dan om bijvoorbeeld de mogelijkheid van medeplichtigheid, in burgerlijke zaken speelt dan bijvoorbeeld de regel van de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dat laatste betekent dat een uitgever toch mee veroordeeld kan worden tot het betalen van een schadevergoeding (zie verder, 1.3).

Elke journalist is dus individueel verantwoordelijk voor de artikelen die hij schrijft. Of de regeling ook geldt voor uitzendingen op radio en tv, daarover is de rechtspraak verdeeld. Het Hof van Cassatie meent alleszins dat artikel 25 zich niet uitstrekt tot de audiovisuele media. Maar sommige vonnisgerechten delen die interpretatie niet, en oordelen dat ze de getrapte aansprakelijkheid ook moeten toepassen op de journalisten van de omroepen.

Met die bepaling heeft de grondwetgever willen voorkomen dat uitgevers, drukkers en verdelers de vrijheid van meningsuiting van de auteur zouden beperken uit vrees zelf te worden veroordeeld. De reglementering wordt echter steeds meer in vraag gesteld door de journalisten, die erop wijzen dat ze steeds minder greep hebben op wat er verschijnt onder hun naam. Eindredacties werken hun bijdragen bij, zetten er eigen titels boven, en door de alsmaar strakkere deadlines derft de journalist de mogelijkheid om nog een laatste controle uit te oefenen. Overigens, nog steeds volgens de journalisten, houdt het regime van de getrapte verantwoordelijkheid zoals het nu georganiseerd is geen rekening met de rol van redactieverantwoordelijken of hoofdredacteurs. In het lijstje van verantwoordelijken komen zij inderdaad niet voor, ook al nemen zij in de praktijk hun verantwoordelijkheid wel vaak op.

Dit artikel geldt hoe dan ook voor de geschreven pers. Of het ook van toepassing is voor de audiovisuele media, maakt het voorwerp uit van een controverse. De rechtspraak is niet unaniem. Het Hof van Cassatie van zijn kant stelt dat artikel 25 van de Grondwet niet van toepassing is op deze media, maar bepaalde rechtscolleges 'ten gronde' volgen deze interpretatie niet en passen artikel 25 wel toe op journalisten van de audiovisuele media.

Een andere fundamentele bepaling in verband met de vrijheid van informatie en meningsuiting in hoofde van journalisten, is artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens:
  1. 'Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisie-ondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
  2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.'

Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens mag dan aan elke persoon de vrijheid van informatie en meningsuiting waarborgen, het preciseert ook dat deze vrijheid kan worden onderworpen aan voorwaarden of beperkingen. Binnen de Raad van Europa is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bevoegd om te oordelen over de naleving van deze bepalingen door de 45 lidstaten. De arresten van het EHRM zijn ook richtinggevend voor de nationale overheden. Het EHRM velde tot dusver meer dan honderd arresten die min of meer rechtstreeks te maken hebben met de vrijheid van informatie.


1.2. In het strafrecht

De strafwetten bevatten verscheidene bepalingen die de verspreiding van bepaalde informatie of bepaalde meningen strafbaar stellen. Te denken valt aan laster en eerroof, beledigingen, het publiceren van sommige herkenbaarheidsinformatie in het kader van gerechtszaken, uitingen van racisme en xenofobie, enzovoort.

Cruciaal is echter het bijzondere regime (of voorrang van rechtsmacht) waarin de grondwet voorziet voor deze persmisdrijven: ze worden berecht voor het hof van assisen.

Artikel 150 van de Grondwet bepaalt: 'De jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn.'

De grondwetgever had meerdere redenen om dit privilege in te stellen voor persmisdrijven. Er was het wantrouwen tegenover professionele rechters, die (in ieder geval vroeger) nogal snel geneigd waren om de burgerlijke belangen te laten prevaleren op de vrijheid van meningsuiting. Tevens was de redenering dat het publiek - via de assisenjury - het best geplaatst is om de pers te beoordelen, aangezien de pers zich juist tot het publiek richt. Verder wilde de grondwetgever verhinderen dat persprocessen werden gebanaliseerd. Tot slot werd vermeden dat de magistratuur openlijk stelling zou moeten nemen over een politiek thema. Allemaal argumenten die voor sommigen vandaag een groot deel van hun belang verloren hebben. Maar voor anderen blijven ze wel degelijk actueel en pertinent.

Vandaag komt die voorrang van rechtsmacht eigenlijk neer op een feitelijke strafrechtelijke immuniteit voor de uitvoerders van persmisdrijven. Het parket brengt persdelicten omzeggens nooit voor het hof van assisen. De enige uitzondering tot dusver betreft een zaak rond racistische geschriften die in 1994 behandeld werd door het hof van assisen van Bergen. Als de parketten-generaal persdelicten niet voor het hof van assisen brengen, is dit om tijdrovende en moeilijke processen te voorkomen, waarvan de uitkomst bovendien hoogst onzeker is en die op de koop toe op een zeer grote mediabelangstelling kunnen rekenen.

Volgens de huidige rechtspraak geldt deze regeling uitsluitend voor strafbare meningsuitingen via de schrijvende pers, niet via de audiovisuele media. Ze is bovendien niet van toepassing op technische misdrijven, zoals de publicatie van foto’s van minderjarigen, heling van documenten of inbreuken op het recht van antwoord. Daarvoor blijven de gewone, correctionele rechtbanken bevoegd. Hetzelfde geldt voor racistische en xenofobe persmisdrijven, die in 1999 werden gecorrectionaliseerd na de herziening van artikel 150 van de Grondwet, precies om een feitelijke strafrechtelijke immuniteit van de auteurs te voorkomen.


Polemiek

WELKE CORRECTIONALISERING VAN DRUKPERSMISDRIJVEN ?

De grondwet bepaalt dat drukpersmisdrijven onder de bevoegdheid van het assisenhof vallen. Dit zogenaamde 'voorrecht van rechtsmacht' dient om de vrijheid van meningsuiting van journalisten te beschermen. Zo worden ze immers door hun publiek berecht, met een procedure die alleen maar voor uitzonderlijke gevallen is geconcipieerd. In de praktijk blijkt de assisenprocedure zelfs zo zwaar te zijn, dat ze voor drukpersmisdrijven nooit meer wordt gehanteerd. Dat had tot gevolg dat mogelijke daders van drukpersmisdrijven feitelijk straffeloos blijven. Een gunstregeling waarvan ook de daders van racistische of xenofobe uitlatingen via de media profiteerden.

Wegens het oplaaien van racisme en xenofobie in de afgelopen jaren, heeft de wetgever op 7 mei 1999 de Grondwet gewijzigd. Nu vallen drukpersmisdrijven die het gevolg zijn van racisme of vreemdelingenhaat onder de bevoegdheid van de correctionele rechtbanken. De andere blijven, zoals de politieke misdrijven, onder de bevoegdheid van het assisenhof (en genieten dus verder van een feitelijke straffeloosheid).

Zo heeft het hof van beroep van Gent op 21 april 2004 het Vlaams Blok veroordeeld voor racisme in een hele reeks publicaties die de partij in de jaren voorheen verspreidde. Aan de oorsprong lag een klacht van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, die feitelijk gericht was tegen drie vzw's rond het Vlaams Blok.

Aan de veroordeling ging een zware procedureslag vooraf met als inzet welk rechtscollege bevoegd was. Op vraag van het Vlaams Blok verklaarde zowel de Brusselse rechtbank van eerste aanleg als het Brusselse hof van beroep zich onbevoegd, omdat de feiten een 'politiek misdrijf' zouden uitmaken. Alleen het hof van assisen zou de zaak kunnen berechten. Maar het Hof van Cassatie verbrak die zienswijze, en daarop verklaarde het Gentse hof van beroep (correctionele kamer) zich wel bevoegd.

Medio 2003 had de correctionele rechtbank van Brussel zich ook al bevoegd verklaard om de voorzitter en de vzw die het Front National heeft gesticht te berechten wegens inbreuken op de racismewet. Dat proces draaide rond een geheel van pamfletten en internetpublicaties met programma-onderdelen van het FN. De rechtbank verwierp de stelling van de voorzitter van het FN dat het om een politiek misdrijf zou gaan. Ook het Hof van Cassatie weerlegde eind 2003 dat het om een politiek misdrijf zou gaan.

Overigens blijft er ook nog altijd controverse bestaan rond de vraag of de omschrijving 'drukpersmisdrijf' enkel geldt voor inbreuken die de geschreven pers begaat of dat ze ook kan worden uitgebreid tot inbreuken van de audiovisuele media (zie hoger).



1.3. In het burgerlijk recht

Voor het journalistieke functioneren zijn ook twee artikelen uit het Burgerlijk Wetboek bijzonder relevant, met name de artikelen 1382 en 1383. Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: 'Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.' Artikel 1383 van hetzelfde Wetboek vult dit principe als volgt aan: 'Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt.'

Het gaat om twee sleutelartikelen uit het Belgisch recht: ieder die door een handeling of een nalatigheid een ander schade berokkent, moet die schade vergoeden. Deze zogeheten 'burgerrechtelijke' of 'aquiliaanse' aansprakelijkheid geldt voor iedereen, dus ook voor iedere journalist. Hij wordt geacht zich steeds te gedragen als 'een normaal zorgvuldig en omzichtig journalist'. Feitelijk gaat het om de burgerlijke variant van wat het strafrecht kwalificeert als misbruiken van de vrijheid van informatie onder de noemers laster, eerroof etcetera. De burgerlijke rechtbanken zijn bevoegd om schadeclaims in dit verband te behandelen, en ze kunnen daarbij een sanctie opleggen in de vorm van een schadevergoeding. Die kan oplopen van een euro morele schadevergoeding tot een som in de tienduizenden euro. De rechtbank kan daarbovenop de publicatie van het vonnis in een of meer media opleggen.

Binnen het kader van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek moet er eigenlijk nog een onderscheid worden gemaakt. Men spreekt van quasi-delictuele aansprakelijkheid wanneer op grond van een strafrechtelijk tekortkoming een inbreuk op de zorgvuldigheidsplicht van artikel 1382 vastgesteld wordt. Gaat het daarbij om een persmisdrijf, dan speelt de getrapte verantwoordelijkheid (supra, 1.1) onverkort. Er kan echter ook sprake zijn van een 'gewone' onrechtmatige daad, die niet teruggaat op een strafrechtelijke kwalificatie (bij voorbeeld: niet-respect van het vermoeden van onschuld of van het recht op vergeten). In dat geval is de getrapte aansprakelijkheid niet van toepassing. Dat is evenmin het geval wanneer het gaat om een onrechtmatige daad die wel teruggaat op een strafrechtelijk feit dat echter geen persmisdrijf is (bij voorbeeld: publicatie van foto's van vervolgde of geplaatste jongeren, publicatie van beelden van auteursrechtelijk beschermde werken).

Een andere burgerrechtelijke bepaling die relevant is voor de journalistieke praktijk, is artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek: 'De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.'

Dit artikel organiseert een snelle versie van de burgerlijke procedure, het kort geding. Die procedure biedt de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg de mogelijkheid om een situatie bij hoogdringendheid maar wel slechts voorlopig te regelen. De uitspraak doet met andere woorden geen afbreuk aan het vonnis dat aan het einde van het proces ten gronde zal worden geveld (zie Deel 1, Hoofdstuk 2, Afd. 3, 3, 3.1.).

Verscheidene rechters hebben op grond van dit artikel geoordeeld de uitzending van een televisieprogramma of de verspreiding van een publicatie preventief te kunnen verbieden. Deze toepassing van het kort geding tegen de pers is omstreden in het licht van het censuurverbod van artikel 25 van de Grondwet. Het Hof van Cassatie heeft in dit verband op 29 juni 2000 gesteld dat de rechter in kort geding de verdere verspreiding van een weekblad kan verbieden - het met andere woorden kan terugtrekken uit de handel - op voorwaarde dat het desbetreffende nummer al gedrukt, verspreid en verkocht werd. Daarbij is trouwens om het even of de gelaakte inbreuk van strafrechtelijke of burgerlijke aard is. Sommigen hebben dit arrest bekritiseerd omdat het in verband met preventieve maatregelen een te grote appreciatiebevoegdheid laat aan de rechter.

In gevallen van absolute noodzaak (die elke keer moet worden gerechtvaardigd), kan de voorzitter van de rechtbank zelfs gevraagd worden een voorlopig vonnis uit te spreken op basis van een eenzijdig verzoek. In zo'n 'eenzijdige procedure', die in de praktijk ook meer dan eens tegen media toegepast wordt, wordt de partij tegen wie een klacht wordt ingediend niet eens op de hoogte gebracht van de procedure. Het indienen van een eenzijdig verzoekschrift is onderworpen aan zeer strenge formaliteiten, vanwege het uitzonderlijke karakter van deze procedure. Normaliter beschikt een verweerder nu eenmaal over een recht van tegenspraak, en is hij op de hoogte van de eisen en argumenten van de eisende partij. Bij een procedure op eenzijdig verzoekschrift, kan de voorzitter uitspraak doen uitsluitend op grond van stukken, wat betekent dat ook de partij die het verzoek indient niet extra wordt gehoord. Toch kan hij de verzoeker en eventueel de betrokken partijen vorderen om hun argumenten mondeling te komen toelichten. De tussenkomst van een andere partij komt echter zelden voor, aangezien in principe enkel de eiser op de hoogte is van het indienen van zijn verzoek.


1.4. De wet van 23 juni 1961 op het recht tot antwoord

Het recht tot antwoord, dat geregeld wordt door een wet van 23 juni 1961, vormt zowat de juridische tegenhanger van de journalistiek-deontologische plicht van hoor en wederhoor.
De wet heeft twee aparte regimes vastgelegd - een voor de geschreven pers en een voor de audiovisuele media - zij het dat meerdere bepalingen gelijk lopen. Op 18 juli 2003 heeft het Vlaams Parlement bovendien een decreet aangenomen dat bepaalde modaliteiten van het recht tot antwoord voor de Vlaamse audiovisuele media wijzigt.

Dit zijn de grote lijnen van de reglementering.
  • Een fysieke persoon of rechtspersoon kan een recht van antwoord eisen in een periodieke publicatie (dagblad, tijdschrift) zodra hij of zij daarin expliciet of zelfs maar impliciet genoemd is. Hij moet daarbij niet noodzakelijk het voorwerp uitmaken van krititek of van een aanval. Het antwoord moet wel worden aangeboden binnen drie maanden na verschijning van het artikel, dit met een aangetekende brief. Het mag twee maal zoveel lettertekens tellen als het gelaakte artikel, of maximum duizend tekens als het een erg kort artikel was. Het moet worden afgedrukt op dezelfde plaats en in hetzelfde lettertype als het oorspronkelijke artikel.
  • Voor een recht van antwoord bij de audiovisuele media gelden enkele bijkomende voorwaarden. Daar volstaat het niet dat men met naam genoemd of impliciet aangewezen is in een uitzending of een periodiek audiovisueel programma, bovendien moet men kunnen aantonen dat de gelaakte uitzending onwaarheden bevatte of een krenkend karakter had. Steeds moet de klager een persoonlijk belang kunnen aantonen. Zoals in de geschreven pers, kan het recht tot antwoord worden uitgeoefend door een fysieke persoon of rechtspersoon. Maar in tegenstelling tot de geschreven pers kan het ook worden uitgeoefend door een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid. Het recht tot antwoord vervalt wanneer de producent spontaan tot een bevredigende rechtzetting overgaat. Het antwoord moet gevorderd worden binnen dertig dagen na de uitzending. De tekst van het antwoord mag 4.500 typografische tekens tellen of overeenkomen met drie minuten leestijd.
  • Het Vlaams decreet van 18 juli 2003 voorziet nog in een extra middel voor wie door een (Vlaams) audiovisueel medium in een rechtszaak geciteerd of aangeduid werd als verdachte, beklaagde of beschuldigde. Hij kan bij het betrokken medium een 'recht van mededeling' laten gelden als er nadien een seponering, buitenvervolgingstelling of vrijspraak volgt. Voor de uitoefening van het ‘recht van mededeling’ hoeft er dus geen leugenachtige informatie verspreid te zijn geweest.
  • Het antwoord moet, zowel in de geschreven als de audiovisuele pers, steeds in direct verband staan met de gelaakte tekst of uitzending. Het mag bovendien niet beledigend zijn, nodeloos derden in de zaak betrekken of tegen de wet of de goede zeden indruisen.
  • Een periodieke publicatie moet het antwoord afdrukken in het eerste nummer dat verschijnt na minstens twee werkdagen na de ontvangst ervan. De redactie kan een repliek toevoegen, maar hierop kan weer een recht van antwoord worden ingediend.
  • De audiovisuele media moeten het antwoord vrijgeven in de eerstvolgende uitzending van hetzelfde type. Sinds de goedkeuring van het nieuwe decreet in juli 2003 kunnen de Vlaamse omroepen desgewenst een repliek of commentaar toevoegen; in de Franse Gemeenschap is dit verboden.
  • Indien een persorgaan een antwoord dat conform de wettelijke voorwaarden werd ingediend niet publiceert, kan de klager naast een burgerrechtelijke procedure een proces inleiden voor de correctionele rechtbank. Het niet publiceren van het antwoord wordt immers beschouwd als een strafbaar feit. Als de krant of het magazine veroordeeld wordt en op die datum is het antwoord nog niet verschenen, dan beveelt de rechtbank de opname binnen een bepaalde termijn.
  • Als een omroep weigert het antwoord uit te zenden, kan de klager de zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Hij spreekt zich volgens de modaliteiten van het kort geding ten gronde en meteen in laatste aanleg uit over de zaak. De voorzitter kan daarbij de uitzending van het antwoord bevelen. Niet-naleving hiervan kan strafrechtelijk (meer bepaald correctioneel) beteugeld worden. In de Vlaamse Gemeenschap is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd gemaakt voor alle geschillen die betrekking hebben op het audiovisuele recht tot antwoord.
  • De rechtbanken en hoven behandelen de verzoeken in het kader van deze wet 'met voorrang boven alle andere zaken'.