Tijdstip en inhoud van de communicatieHet Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het parket of de politie (indien die laatste daartoe gemachtigd is) aan de pers informatie kan verstrekken over strafonderzoeken
'indien het openbaar belang het vereist'. De woordvoerder ziet daarbij toe op
'de inachtneming van het vermoeden van onschuld, van de rechten van verdediging van de verdachte of inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privé-leven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.' (WvS, artikel 28 quinquies, lid 3 en artikel 57, lid 3).
Een omzendbrief van 30 april 1999, opgesteld door de toenmalige minister van Justitie, Tony Van Parys, en het College van procureurs-generaal, heeft een en ander nader omschreven (zie ook bijlage).
'2.2 De omzendbrief beoogt een evenwichtige relatie tussen gerechtelijke autoriteiten en pers op het vlak van de informatieverstrekking.
De opportuniteit van het verstrekken van informatie en de inhoud ervan moeten steeds beoordeeld worden in functie van het algemeen belang.
Dit algemeen belang moet de resultante zijn van een afweging, noodzakelijkerwijs door het parket, van de belangen van een behoorlijke rechtsbedeling en de belangen van een goede informatiedoorstroming.
2.2.1 De perswoordvoerder waakt erover dat het belang van het onderzoek niet wordt geschaad. Tevens zal hij bij de informatieverstrekking respect opbrengen voor de particuliere rechten van verdachten, slachtoffers en getuigen.
2.2.2 De perswoordvoerder zal binnen de grenzen bedoeld in 2.2.1 respect opbrengen voor het recht op informatie. Bovendien kan het onderzoek gebaat zijn bij een correcte informatievoorziening.
2.2.3 Een adequate informatieverstrekking draagt bij tot het vertrouwen van de bevolking in de gerechtelijke instellingen.
(...)
7.1 Basisregels
De procureur des Konings en de gemachtigde perswoordvoerder van de politie hebben de taak om objectieve en correcte informatie te verstrekken aan de pers, rekening houdend met de specificiteiten van het medium. Het weigeren van informatie kan tot gevolg hebben dat onjuiste informatie gepubliceerd wordt welke nadien moeilijk te corrigeren valt. Bovendien kan het onderzoek gehypothekeerd worden door een onjuiste publicatie.
Gelet op voormelde wettelijke vereisten (punt 6) moeten discretie en reserve in acht genomen worden bij de informatieverstrekking. Dit veronderstelt een zorgvuldig taalgebruik en het vermijden van een persoonlijk oordeel.
Betreffende het slachtoffer en zijn verwanten mogen geen details worden prijsgegeven die hen secundair kunnen victimiseren. In dezelfde geest als artikel 35 van de wet op het politieambt (punt 6.4) moet hun recht op eerbied voor het privé-leven verzekerd worden. Er moet in de mate van het mogelijke over gewaakt worden dat ze hen aanbelangende, gevoelige feiten of elementen niet eerst via de pers dienen te vernemen. Indien de pers kennis blijkt te hebben van de identiteit van het slachtoffer, kan gevraagd worden om deze in te houden tot de rechtstreekse familieleden op de hoogte zijn gebracht door de gerechtelijke of administratieve overheid.
Van de in het dossier betrokken personen kunnen enkel het geslacht, de leeftijd en eventueel de woonplaats uit eigen beweging worden meegedeeld (zie punt 7.2), er rekening mee houdend dat het meedelen van gegevens die hen kunnen identificeren, moet vermeden worden. Persoonsgegevens zoals etnische herkomst, nationaliteit en seksuele geaardheid kunnen slechts vermeld worden indien ze relevant zijn.
(...)
Commentaar bij 7.1
Gelet op het vermoeden van onschuld, is het aangewezen steeds te vermelden dat de betrokkene slechts verdacht wordt van bepaalde feiten. Er kan ook steeds vermeld worden dat een verdachte de feiten ontkent of een verschonings- of rechtvaardigingsgrond inroept.
Artikel 3 bis van Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering legt aan de gerechtelijke overheden de verplichting op ‘slachtoffers en hun verwanten zorgvuldig en correct te bejegenen, in het bijzonder door terbeschikkingstelling van de nodige informatie’. Wanneer ze belangrijke hen persoonlijk aanbelangende gegevens eerst via de pers moeten vernemen (gegevens die dus niet onder het geheim van het onderzoek vallen), kan dit bijkomend leed berokkenen en een moeilijk te herstellen vertrouwensbreuk veroorzaken. Een embargo of een informatiestop kunnen uitstekende instrumenten zijn om dit te voorkomen.
De anonimiteit van de in het dossier betrokken personen kan niet altijd gegarandeerd worden, zeker niet wanneer ze een belangrijke maatschappelijke functie hebben of gekend zijn bij een breder publiek. De identiteit moet dan ook in de mate van het mogelijke geheim worden gehouden.'
De omzendbrief van 1999 verschaft nog wat extra duidelijkheid over de gepastheid van informatieverstrekking over strafonderzoeken. Zo kan de procureur des konings
'7.2 (…) actief naar buiten treden wanneer een bepaald strafrechtelijk feit sterke beroering heeft teweeggebracht in de publieke opinie en/of wanneer het aangewezen is het publiek te informeren over het beleid in dergelijke zaken'.
Afgezien van deze algemene regeling zijn ook nog enkele specifieke wetsbepalingen van toepassing.
Zo is het aan parket en politie - net zoals aan de media trouwens - verboden teksten, tekeningen, foto’s of afbeeldingen te verspreiden waaruit de identiteit kan blijken van
minderjarigen die vervolgd worden of tegen wie een jeugdbeschermingsmaatregel genomen is (Wet op de Jeugdbescherming, artikel 80, lid 2).
Het is ook verboden teksten, tekeningen, foto’s of afbeeldingen te verspreiden waaruit de identiteit kan blijken van een
slachtoffer van seksueel geweld, behalve als het slachtoffer schriftelijk toestemt, of als de met het onderzoek belaste magistraat in het belang van het onderzoek zijn toestemming geeft (artikel 378bis Strafwetboek; zie Deel 4 voor meer details).