Standpunt van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens / de Raad van Europa en van de Internationale Strafrechtbank voor ex-Joegoslavië
3.1. Een constante rechtspraak van het EHRM
De Raad van Europa - die 45 landen, waaronder België, verenigt - heeft over het journalistieke bronnengeheim een belangrijke uitspraak gedaan. Op 8 maart 2000 heeft het Ministercomité van de Raad in zijn Aanbeveling R (2000) 7 verduidelijkt dat de overheid respect moet opbrengen voor de vertrouwelijke bronnen van een journalist, tenzij er sprake is van een wettelijk bepaald zwaarwegend algemeen belang. Te denken valt aan de bescherming van menselijk leven, het voorkomen van een zwaar misdrijf, of de bescherming van iemand die ten onrechte beschuldigd is. In andere gevallen kan een journalist niet worden gedwongen zijn vertrouwelijke bronnen kenbaar te maken, tenzij het gerecht geen enkel ander bewijsmiddel heeft om de feiten vast te stellen. Buiten de gevallen waarvan sprake in artikel 10.2 van het Europese Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), mag een journalist niet worden verplicht zijn vertrouwelijke bronnen kenbaar te maken.
Volgens de Raad van Europa moet ook niet-officiële informatie vrij kunnen circuleren in een democratie. Het journalistieke bronnengeheim wordt bestempeld als een hoeksteen van de persvrijheid, zoals gewaarborgd in artikel 10 van het EVRM.
Dit verhindert overheden ook om huiszoekingen uit te voeren bij journalisten, hun telefoons af te tappen of hun documenten in beslag te nemen, en a fortiori om hen voor de rechtbank te brengen, louter om redenen in verband met de geheimhouding van de bronnen. Deze bescherming zou volgens de aanbeveling ook moeten gelden voor elke persoon die met een journalist samenwerkt.
Voor meer informatie: www.humanrights.coe.int/media
De aanbeveling van de Raad van Europa volgt op een principe-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over het journalistieke zwijgrecht in de zaak van de Engelse journalist William Goodwin (arrest Goodwin vs. Verenigd Koninkrijk van 27 maart 1996). Hij had 'gevoelige' informatie gepubliceerd over zware financiële moeilijkheden bij het Britse verpakkingsbedrijf Tetra Ltd. Ondanks de eisen van het bedrijf en van het Britse gerecht, weigerde Goodwin zijn bron bekend te maken. Het kwam hem op een boete te staan voor contempt of court (belediging van het hof). Het EHRM vond in 1996 dat die veroordeling haaks stond op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Volgens het hof kon uitsluitend een ernstig maatschappelijk belang verantwoorden dat de journalist zijn bron bekend moest maken en dat was er in dit geval niet. In enkele andere arresten heeft het hof deze rechtspraak intussen bevestigd.
In 1999 heeft hetzelfde EHRM daar nog een ander principe-arrest aan toegevoegd over de publicatie van een vertrouwelijk verkregen geheim document (arrest Fressoz en Roire vs. Frankrijk van 21 januari 1999). Tien jaar eerder had het Franse satirische blad Le Canard Enchaîné de fiscale aangifte gepubliceerd van de toenmalige baas van autofabrikant Peugeot, waaruit bleek dat die zichzelf een forse salarisverhoging had toegekend op het moment dat zijn personeel moest inleveren. Le Canard was veroordeeld voor de heling van geheime documenten. Maar het Europees Hof oordeelde dat deze veroordeling indruiste tegen artikel 10 van het Verdrag.
Overigens kan een journalist per toeval of te goeder trouw in een dergelijke situatie verzeild raken, bijvoorbeeld als hij een geheim dossier in zijn brievenbus vindt, of wanneer hij per toeval een vertrouwelijk gesprek tussen een beklaagde en zijn advocaat opvangt. In principe houdt niets hem dan tegen om kennis te nemen van de informatie en ze eventueel ook te gebruiken om het publiek in te lichten. Weliswaar kunnen het respect voor het privé-leven of andere 'overheersende' belangen een tegenindicatie vormen.
In 2003 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een derde principe-arrest uitgesproken over huiszoekingen op redacties en in de woning van journalisten (arrest Roemen & Schmit vs. Luxemburg van 25 februari 2003). De journalist Roemen had geschreven dat een Luxemburgse minister een fiscale boete moest betalen voor BTW-fraude, waarop die minister een klacht had ingediend wegens lasterlijke publicatie van informatie en eerroof. Roemen werd vervolgd voor heling van documenten en het verkrijgen van informatie door schending van het beroepsgeheim. In het kader van de strafprocedure had de onderzoeksrechter een huiszoeking bevolen in zijn huis en zijn kantoor en in het huis van zijn advocate, meester Schmit. Hiermee wilde de onderzoeksrechter de belastingambtenaar klissen die de informatie had doorgespeeld aan de journalist.
Het EHRM heeft de huiszoekingen bij de journalist veroordeeld als schending van de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 van het EVRM). De huiszoeking bij de advocate werd veroordeeld als een schending van het recht op privacy (artikel 8 EVRM). Het hof oordeelde dat een huiszoeking om bronnen te ontdekken een nog zwaardere inbreuk uitmaakt op de vrijheid van informatie dan de eis om de identiteit van een bron prijs te geven (wat het reeds veroordeeld had in de zaak Goodwin). Het hof erkende wel dat de motieven die de Luxemburgse rechtscolleges inriepen om de huiszoeking toe te laten relevant waren, maar niet voldoende om een inmenging in de vrijheid van meningsuiting te rechtvaardigen.
Op 15 juli 2003 heeft het EHRM deze rechtspraak bevestigd in een Belgisch dossier. Dit had betrekking op huiszoekingen die in 1995 werden uitgevoerd op de redacties van bepaalde kranten en in de woning van vier journalisten. De aanleiding was hun berichtgeving over het onderzoek naar de moord op André Cools en de corruptiedossiers Agusta en Dassault.
In zijn arrest m.b.t. de zaak Ernst et al. vs. België, 'werd het Hof getroffen door het massieve karakter van de huiszoekingen die acht quasi-gelijktijdige operaties omvatten en waar, naar verluidt, 160 politiemensen bij betrokken waren. Het Hof noteert dat de Belgische regering niet vermeldt in welke zin de eisers bij de inbreuken waarvan sprake waren betrokken, en ook geen aanwijzing geeft over de maatregelen die rechtstreeks tegen de magistraten die aan de oorsprong van de lekken konden liggen werden getroffen. Het Hof vraagt zich af of er geen andere maatregelen hadden kunnen worden getroffen om de auteurs van de inbreuken op het beroepsgeheim te vinden, en stelt vast dat de regering niet aantoont dat de overheid niet had kunnen uitzoeken of de eisers bij deze inbreuken betrokken waren zonder huiszoekingen en beslagnemingen.
Het Hof wijst op de grote opsporingsbevoegdheden van de speurders, die met het doel de informatiebron van de journalisten te ontdekken, hun werkplaats of huis doorzoeken. Het Hof herinnert er in dit verband aan dat de beperkingen die worden opgelegd aan de vertrouwelijkheid van de journalistieke bronnen gepaard moeten gaan met een uiterst scrupuleus onderzoek.
In deze omstandigheden, komt het Hof tot het besluit dat de Belgische regering niet heeft aangetoond dat een billijk evenwicht tussen de betrokken belangen werd bewaard. Zelfs als de ingeroepen motieven 'pertinent' waren, waren ze niet 'afdoende' genoeg om huiszoekingen en inbeslagnemingen op een dergelijke schaal te verantwoorden. De gebruikte maatregelen stonden niet in een redelijke verhouding t.o.v. het nastreven van de beoogde gewettigde doelstellingen, rekening houdend met het belang voor de democratische maatschappij om de persvrijheid te bewaren.'
Het hof besloot dat artikel 10 (vrijheid van meningsuiting) en artikel 8 (recht op respect voor de privacy) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waren geschonden.
Voor meer informatie: www.echr.coe.int
3.2. In het internationaal strafrecht
De beroepskamer van het Internationaal Strafgerecht voor ex-Joegoslavië (ISJ) heeft op 11 december 2002 het 'recht op stilzwijgen' erkend voor de journalisten-oorlogscorrespondenten die werden opgeroepen om te getuigen. De zaak betrof een journalist van de Washington Post, Jonathan Randal, die op 11 februari 1993 een artikel had gepubliceerd waarin hij uitspraken aanhaalde van de van genocide beschuldigde Radoslav Brdjanin. Die had het meer bepaald over 'het 'vrijwillige' vertrek van personen om een etnisch zuivere ruimte te creëren'. Randal werd vervolgens opgeroepen om te getuigen en vroeg om hiervan te worden vrijgesteld. Eerst werd die aanvraag verworpen met de motivering dat de getuigenis betrekking had op gepubliceerde informatie en niet op vertrouwelijke bronnen. In beroep werd de vrijstelling echter toegekend. Het Internationaal Strafgerecht verklaarde dat 'de graad van bescherming die moet worden toegekend aan oorlogscorrespondenten evenredig is aan de gevolgen die hun getuigenis voor het ISJ kan hebben voor hun onderzoekswerk (gevaar dat de personen die machtsmisbruik plegen en op het terrein worden ondervraagd niet meer praten met de journalisten en gevaar voor het verlies van het statuut van observator van personen die inbreuken plegen en zelfs gevaar dat zij er het doelwit van worden en hun leven in gevaar komt).' Het Strafgerecht meende dat een oorlogscorrespondent alleen kan worden verplicht te getuigen als aan twee voorwaarden is voldaan: 'de getuigenis moet rechtstreeks betrekking hebben op en uiterst belangrijk zijn voor een fundamentele vraag van de zaak en de getuigenis kan redelijkerwijze niet worden verkregen van een andere bron'.
Voor meer informatie: www.un.org/law/icc/index.html